Het ga jullie goed!

Edito_Karel-Willem

Ik schrik wanneer begin mei ik mijn digitale schoolagenda doorblader. Er rest ons nog maar één volle lesweek in de aanloop naar de laatste proefwerkperiode van het schooljaar. De overige weken worden verbrokkeld door feestdagen, brugdagen en activiteiten. Ook de leerlingen voelen het aan het prikken van hun duimen. Ze worden er onrustig van. Het einde van het schooljaar nadert.

Leerlingen leren opgroeien

“We gaan u volgend jaar toch nog hebben?” vragen sommigen hardop. Ik laat het niet zien, maar die vraag doet me veel deugd. Anderen hopen vermoedelijk in stilte op een andere leraar. Als ik zelf mag kiezen, schuif ik mee op met mijn klassen. Ik mag mezelf gelukkig prijzen met zo’n publiek en het is een machtig onderdeel van mijn job om deze jongens en meisjes te zien opgroeien.

Ze zijn de mannen en de vrouwen aan het worden die ze de rest van hun leven zullen zijn. Het is niet niets om daar een rol in te kunnen spelen. Of ik voor elke leerling een steen heb verlegd – zoals Bram Vermeulen het zo mooi verwoordt – durf ik te betwijfelen, maar ik mag hopen dat ik hen na al die lesuren samen niet met lege handen moet wegsturen.

Wat je meedraagt van je leraren

Hoe zullen ze later terugdenken aan meneer Delrue? Dienen grijzen met al zijn boeken? Dienen met zijn moeilijke vragen altijd? Wat draag ik zelf nog mee van mijn leraren van toen? Van de leerinhouden bitter weinig, moet ik toegeven. Vraag me niet om het proefwerk fysica of wiskunde dat de leerlingen voorgeschoteld krijgen af te leggen. Ik zou geen goede indruk nalaten.

Maar de liefde voor taal en literatuur, de passie voor het vak en een soort minzame rebellie als permanente geesteshouding, die nemen ze mij niet meer af. En ook het poppetje dat ik in het laatste jaar van mijn titularis kreeg, heb ik nog. “Het ga je goed”, stond erop. En wij mochten allemaal onze naam op haar etui schrijven.

De laatste examens

“De vakantie zal er rap zijn nu”, hoor ik om mij heen. Nog wat verbrokkelde weken en dan de laatste examens. De tijd vliegt inderdaad. Ik herinner me nog levendig hoe ik naar huis fietste na een proefwerk, de televisie aanzette en Marc Wilmots zag scoren tegen Brazilië. Dat is ondertussen 16 jaar geleden. Sommige van mijn leerlingen waren toen nog niet geboren!

Ook in 2018 zal het WK voetbal die lange studienamiddagen verstoren, vrees ik. En daar komt tegenwoordig ook de afleiding van hun kleine schermpjes bij. Als ze die maar lang genoeg opzij kunnen leggen en zich op hun leerinhouden kunnen concentreren, dan komt het voor die laatste examens wel goed. Mijn wens voor het einde van het schooljaar? Voor al mijn leerlingen een goed rapport en de Belgen wereldkampioen!

Advertenties

Grensoverschrijdend

30167412_10215373776407997_3214302641637194325_o1.jpg

Dit is niet mijn eerste uitwisseling. Een paar jaar geleden stak ik met mijn leerlingen Het Kanaal over voor een verblijf bij gastgezinnen in York. Ik had een fles Gentse Strop meegenomen voor mijn gastheer. Het leek me een mooi geschenk en een ideaal aanknopingspunt om wat meer over mijn streek en cultuur te vertellen. “It’s said that Charles V used the noose to humiliate the people of Ghent”, begon ik. Maar mijn enthousiasme werd vrij brutaal in de kiem gesmoord. “I wouldn’t know. I wasn’t around at the time.”

Dat heb je met mensen. Er zijn er van soorten. One born every minute, zeggen de Britten. Ik weet dus min of meer waar ik aan begin en wat ik mag verwachten. Een uitwisseling betekent immers vaak bemiddelen en gaat meer dan eens gepaard met wat spanningen of misverstanden. Maar ik heb de afgelopen jaren gelukkig geleerd dat die ene verbitterde pro-Brexit-aanhanger eerder uitzondering dan regel was. Wie zich op een uitwisseling stort, staat doorgaans open voor anderen en andere culturen. Wie uitwisselt, leert zichzelf en anderen kennen en dergelijke projecten staan garant voor onvergetelijke ervaringen.

We ontvangen 15 Letse studenten en hun begeleidende leerkrachten. “Wat moeten we doen als we hen zien, meneer? Handen schudden? Kussen? Een knuffel?” Ze zijn zenuwachtig. We hebben de filmzaal ingericht voor een ontvangst met pannenkoeken en nu staan we te wachten op het busplein. Hun communicatiemiddelen zijn geavanceerder dan de mijne. “Ze zijn al in de Deinzestraat!” Ik probeer het te verbergen, maar ook ik ben zenuwachtig en ook ik weet niet goed of ik mijn Letse collega’s met een kus of een handdruk moet verwelkomen. En dan komt de bus de hoek omgereden. Ik zie de inzittenden uitgelaten zwaaien. Ze hebben er zin in! De deuren openen. Om mij heen lopen de gematchte duo’s op elkaar af en zonder schroom vallen ze in elkaars armen. Dit is de eerste keer dat ze elkaar ontmoeten!

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Het is mooi om te zien hoe ze zich samen op de projectweek storten. De Oudenaardse leerlingen nemen de Letten mee op sleeptouw in hun eigen stad, we bezoeken de Westhoek en ze organiseren buiten de schooluren zelf uitstappen naar Brussel en Oostende. Als we na een stadsspel in Brugge met de trein terugreizen, zit ik tegenover twee oudere dames. Ze merken op dat we betrokken zijn bij een uitwisseling en willen er alles over weten. Zelf vertellen ze over hun kleinkinderen. Dat ze al kunnen swipen en dat het toch allemaal rap aan het veranderen is. Ik heb het deze week zelf gemerkt. Hun communicatiemiddelen zijn veel geavanceerder dan de mijne, maar in groep afspreken is er daarom zeker niet makkelijker op geworden. En toch. Tijdens hun afscheidsspeech lijsten twee leerlinges op wat ze deze week hebben beleefd en wat het uitwisselingsproject hen heeft geleerd. “Met elkaar communiceren”, zegt Paula, “over de grenzen heen.” Op een respectvolle manier kunnen omgaan met elkaar. Grensoverschrijdend. In de schoonst denkbare betekenis van dat woord. Het is helaas al een tijdje aan opwaardering toe.

Het is natuurlijk voor alle betrokken partijen een intense periode en het vraagt veel energie. Ouders, directieteam, uitwisselcoördinatoren, leerkrachten en leerlingen worden uitgedaagd om het beste van zichzelf te geven. Bloed (prikkeldraad tijdens de fietstocht), zweet (26 graden en meer tijdens de fietstocht) en tranen heeft het ons gekost. Een combinatie van vermoeidheid, hitte en tienerhormonen. Maar ik probeer hen te bedaren en druk hen op het hart dat ze over een aantal dagen zullen huilen van verdriet bij het vertrek van hun partner. En ik krijg gelijk. Na een onvergetelijke week en een waanzinnig afscheidsfeest -heb ik nu echt samen met mijn leerlingen de macarena staan dansen?- verzamelen we op het busplein. Ze vallen opnieuw in elkaars armen en er zijn inderdaad wat traantjes bij. Zelfs de ouders zijn ontroerd en doen hun best om hun emoties te verbergen. Ook ik krijg een krop in de keel als de bus de hoek om rijdt. Maar we hebben iets om naar uit te kijken. In september zijn wij te gast in Letland. Dan breng ik een fles Gentse Strop mee.

OLYMPUS DIGITAL CAMERAOLYMPUS DIGITAL CAMERA

“Parijs maakt mij zo gelukkig!”

paris.jpg

Een groepje leerlingen staat al samengedrongen aan de deur van de bus te wachten. “Ze staan aan te schuiven om achteraan te kunnen zitten”, zegt mijn collega. Het is heel herkenbaar. Zo waren wij immers ook.

2002. Ik zit op de achterbank van een bus, toen ook al the place to be for cool kids. Ik heb, met het zakgeld dat ik over had, het debuutalbum van Gorillaz gekocht in de Virgin Megastore. Van een klasgenoot mag ik een discman lenen. Ik zet nummer 7, “Punk”, op repeat en ik voel me de koning van de wereld.

Wist ik veel dat ik 16 jaar later de Parijsreis van de vijfdes nog eens zou maken. Zij het dit keer als begeleider. Ik zit helemaal vooraan op een bus, nog steeds the place to be voor leerkrachten en reisbegeleiders. De Virgin Megastore heeft voorgoed de deuren gesloten en ook Gotham, mijn favoriete winkeltje in de Rue Dante, is niet meer, maar Paris sera toujours Paris en de Lichtstad heeft me de afgelopen drie dagen opnieuw met open armen ontvangen. Ik vraag aan de leerlingen of ik tijdens deze terugrit hun foto’s eens mag bekijken. “Maar ze zijn nog niet geselecteerd, meneer. Wacht. Ik zal ze eerst in een mapje zetten.” Swipend door duizenden afbeeldingen en filmpjes blik ik terug op een onvergetelijke driedaagse.

Al sinds het begin van mijn onderwijsloopbaan heb ik een bijzondere band met Parijs. 10 jaar geleden op een school in een verre uithoek van het land begon het. Omdat één van de gidsen bijna met pensioen ging, werd me gevraagd of ik niet mee wilde naar Parijs. Ik moest enkel begeleiden, meestappen en alles volgen. Als ‘gids in opleiding’ werd ik overstelpt met informatie. Fiches, pancartes, plattegronden, reisgidsen en een hele reeks wist-je-datjes. Wist je bijvoorbeeld dat de gemiddelde snelheid van een wagen in Parijs slechts 14 km/u is? Dat de Eiffeltoren om de 7 jaar geschilderd wordt, dat daar 60 ton verf voor nodig is en dat er dagelijks 10 mensen als vermist worden opgegeven bij de Parijse politie. “Zorg maar dat jullie niet één van die 10 zijn”, druk ik mijn leerlingen op het hart.

Wat kwam al dat materiaal nu goed van pas. Ik ben er mijn collega’s uit Zelzate enorm dankbaar voor! Ik mocht dit jaar immers zelf het hele programma voor mijn groep invullen. “Carte blanche!” Daar kan ik mezelf heerlijk in verliezen. Elke leerling die ooit in één van mijn klassen zat, weet dat ik niet te houden ben als er ergens een stadsplan van Parijs wordt opengevouwen. ’s Middags beginnen op Pont Neuf, via de Nôtre-Dame en de oudste boom van Parijs terug naar Pont des Arts, van daaruit doorheen het Louvre en de Tuileries naar Place de la Concorde om nadien door te stappen naar de Madeleine en la Place Vendôme en dan om 15.30u het Louvre bezoeken. Moet lukken. Het tempo lag hoog. Erg hoog. Maar als je in Parijs bent, wil je ook iets gezien hebben. Toch?

Van de reisbegeleider uit Zelzate leerde ik dat een Parijsreis voor vijfdejaars veel meer kan en moet zijn dan een opeenstapeling van museumbezoeken en historische feiten. Een goede gids heeft oog voor de verschillende gezichten van de stad en staat ook stil bij de kleine verhalen die Parijs te bieden heeft: het lekkerste ijsje (al moet het winkeltje dan wel open zijn en moet je de juiste smaak kiezen), het mooiste plein om te picknicken, een winkel vol opgezette dieren, macarons van Fauchon, …

Bovendien is de Parijsreis het ideale moment om op een andere manier in gesprek te gaan met leerlingen en collega’s. Niet toevallig hoorde ik hoe de leerlingen van de andere groep hun begeleiders met papa en mama begonnen aan te spreken. Tijdens wandelingen door Parijs heeft een mens het hart op de tong. Verhalen over klasgenoten, over ‘dedie van d’andere klas’ of ‘dendienen van Engels’, over hun ouders, over hun toekomst, hun kijk op de wereld. In het kielzog van mijn grote voorbeeld uit Zelzate probeer ik mijn gidsmoment ook te doorspekken met levenslessen. Al moet ik mezelf daar nog wat verder in bekwamen. Voorlopig kwam ik niet veel verder dan “rood is rood en groen is groen”. Maar wie weet, misschien dragen mijn leerlingen wel iets van mijn filosofie rond de letter en de geest met zich mee. Hoe dan ook, Parijs doet iets met een mens.

Paris mur.jpg

Ik laat me als gids bijstaan door mijn leerlingen. Ze hebben zelf voor Frans een exposé moeten voorbereiden en sommigen waren zelfs bereid om daarnaast nog een extra aspect van de stad toe te lichten. In de musea probeer ik hen naar de bekendste, mooiste en boeiendste werken te leiden en geef ik hen zelf zoveel mogelijk achtergrondinformatie en anekdotes mee, maar over hedendaagse kunst weet ik veel te weinig. In Centre Pompidou laat ik dus graag een professionele gids aan het woord. Een zweverige vrouw laat ons plaatsnemen op een kunstwerk dat bestaat uit 144 metalen ‘tegels’. Ze nodigt ons uit om mee te denken over de bedoeling en de betekenis van het kunstwerk. Ze legt uit dat het werk enkel bestaat omdat het in de ruimte is (ik zie een aantal gefronste wenkbrauwen), dat het een onderscheid maakt tussen binnen en buiten (nog meer gefrons) en dat het aanzet om zelf deel te nemen aan het kunstwerk. Ik voel veel vragende blikken in mijn richting. De vrouw gaat onverstoorbaar verder. We moeten stilstaan bij het materiaal dat de kunstenaar gebruikte. Is het warm? Of net koud? Blinkt het? Hoe voelt het aan? We mogen het uitproberen. “Dat is gewoon inox, hé, mevrouw”, brengt iemand de kunstzinnige uiteenzetting tot een paar woorden terug. Heerlijk, wat Vlaamse nuchterheid in dit huis van hedendaagse kunst.

De tijden zijn veranderd en het is soms sleuren. Het cafeetje van Amélie Poulain, één van mijn favoriete plekjes in Parijs, zegt hen bijvoorbeeld niet zoveel meer en ook tijdens het gegidste bezoek aan Musée d’Orsay won de vermoeidheid het van de verwondering. Vaak vinden ze hun kleine schermpjes boeiender dan de wereld om zich heen en als ze massaal grote winkelketens verkiezen boven de echte schatten van Parijs, dan voel ik me heel klein worden. Maar dan plots, op een onbewaakt moment, zorgt een leerling voor één van de hoogtepunten van mijn reis. Vooraf had hij in de klas laten blijken dat hij niet erg veel wilde stappen, niet erg lang naar gidsen wilde luisteren en vooral veel vrije tijd wilde krijgen. En nu zit hij tijdens één van de vele metroritten naast mij. “Het is eigenlijk echt nog wijs, meneer.” Ik word er stil van.

En ook hun dankbaarheid na de terugrit doet me veel deugd. Ik hoop dat ze hebben kunnen proeven van Parijs en ik hoop dat het naar meer smaakt. Parijs doet iets met een mens. Wat precies, dat is moeilijk onder woorden te brengen, maar het staat vast dat het ’s avonds alleen maar erger wordt. “Dan worden het echte loeties”, weet mijn collega Frans. Als we ’s avonds laat samen naar de metro stappen, huppelt een leerlinge die ik niet ken me vrolijk voorbij. “Echt waar, meneer”, roept ze terwijl ze zich naar mij omdraait, “Parijs maakt mij echt gelukkig!”

Mij ook, jongedame. Mij ook.

foto-montparnasse.jpg

19 maart 2008

28684de2c6c9e22256d46296848e1cdf
Claus door Stephan Vanfleteren

We hebben net samen een scène uit ‘De ingebeelde zieke’ van Molière nagespeeld en we zouden het de volgende les over Stanislavski en Ibsen moeten hebben, maar de chronologie van hun cursus theatergeschiedenis wordt vandaag even opgeschort. Het is immers 19 maart 2018. Precies tien jaar geleden stierf een monument. “Michael Jackson?”, vragen ze. “Jotie T’ Hooft?” Ik doe alsof het me niet raakt en geef hen het juiste antwoord. “Wie is Hugo Claus?”, vraagt Michael. Ja, soms noem ik namen.

Is Hugo Claus dan zo snel uit ons collectief geheugen aan het verdwijnen? Dat kan ik maar moeilijk geloven. “De Clausologie draait op volle toeren en de specialisten schrijven & bloemlezen zich het eelt op de vingers”, postte literair recensent Dirk Leyman afgelopen vrijdag nog en ook het uitstalraam van de betere boekhandel vlakbij de school kleurt Claus. De Bezige Bij heeft zelfs foldertjes verspreid om de initiatieven op te lijsten die de schrijver dit jaar laten herleven.

10 jaar na zijn dood leeft Claus nog steeds. Is het dan niet mijn plicht als leraar Nederlands om hem deze week ook mijn lessen binnen te loodsen? Maak hoe pak ik dat aan? Hoe pers ik zijn oeuvre tot 50 minuten samen?

Ik kan beginnen met te vertellen dat ik Claus zelf ooit heb ontmoet, al moet ik er dan eerlijkheidshalve meteen bij vermelden dat de ontmoeting erg kort was en het respect niet wederzijds. Ik zat in het vierde middelbaar. Van onze leraar Nederlands kregen we in kleine groepjes de opdracht een interview af te nemen, een schrijftaak waar ook mijn leerlingen vandaag niet aan ontsnappen. Tijdens een wandeling met mijn vader en grootmoeder in Oostende zagen we ‘die bekende schrijver’ ter hoogte van de gaanderijen van het Thermae Palace eenzaam, bonkig en mijmerend naar de zee staren. “Spreek hem aan voor dat interview”, zei mijn vader. Op die leeftijd voelt men nog weinig schroom en zonder gêne of terughoudendheid stapte ik op de meester af. Of ik hem mocht interviewen voor een schoolopdracht. “Als jij naar mijn buitenverblijf in het zuiden van Frankrijk afzakt voor dat interview, komt dat helemaal goed.” Einde gesprek. Met de staart tussen de benen terug naar papa en bomma. “En? Wat zij hij?” We hebben dan maar Gitte van Ketnet of Honoré d’O geïnterviewd. Ik weet zelfs niet meer wie van de twee. Laat ons zeggen dat een interview met Hugo Claus toen onvergetelijker zou zijn geweest.

Dankzij Absynthe Minded heb ik natuurlijk de ideale aandachtstrekker om het over het dichtwerk van Claus te hebben. “Wie is Bert Ostyn?”, vraagt Michael. We analyseren ‘Envoi’ en we vragen ons af waarom Claus zo cynisch en neerbuigend was over zijn eigen verzen. “Nog twaalf regels lang op dit blad hou ik ze de hand boven het hoofd”, dichtte hij. Ze tellen. “Het klopt, meneer!”. Nog twaalf regels en dan vliegen ze uit. Hij stuurt zijn verzen weg. Zijn hoofd uit. “Naar haar die ik niet ken”, eindigt het gedicht. Ik koester stiekem de hoop dat ten minste een aantal leerlingen zich aangesproken voelt.

Nu ze de smaak van Claus’ poëzie te pakken hebben, kan ik er net zo goed ook ‘Ik schrijf je neer’ tegenaan gooien. Het speelse, sensuele scoort meestal goed bij deze leeftijdsgroep. Bovendien kan ik het koppelen aan de turbulente levensloop van de schrijver zelf en aan zijn relatie met Sylvia Kristel. “Wie is Emmanuelle?”, vraagt Michael.

Ik besef dat ik te weinig tijd heb om hen ten volle te laten kennismaken met het werk van Hugo Claus. Wat had ik graag klassikaal “Een zachte vernieling” gelezen (nu we op het punt staan zelf te vertrekken naar Parijs) of toch ten minste een aantal hoofdstukken over Louis Seynaeve. En dan heb ik het nog niet gehad over zijn filmwerk, over zijn beeldende kunst, over zijn theaterteksten. Weten ze dat er een Oudenaardse toneelgroep is die “Een bruid in de morgen” aan het voorbereiden is?

We eindigen met een leesoefening. Ik schotel hen het interview van Piet Piryns voor. ‘Ik, ridder van rare woorden’. Daarin is de gelatenheid al voelbaar van iemand die weet dat het einde nadert. “Je mag de dood niet laten winnen”, vertelde Claus toen aan zijn interviewer. “Ik kan nog altijd bepalen wanneer ik ga.”

“‘Tètitatutis”, moet hij zelf hebben gezegd. 10 jaar geleden sloot Claus voorgoed de ogen, maar dankzij uitgevers, recensenten, boekhandelaren, leraren en lezers is hij nog lang niet dood.

cbafe5dd6bc55677fa96623a8d1f9a4f
Claus door Stephan Vanfleteren

 

2 + 2 = 5

Karel-B_SCHERM
Beeld: Jan Nijs

Als men mij ooit vraagt welke boeken mijn leven veranderden, dan staat ‘1984’ zeker op die lijst. Orwells dystopische voorspellingen leggen op meesterlijke wijze bloot hoe de kracht van de massa het individu vermorzelt. Zelden bespeelde een roman zo trefzeker dat deeltje van mij dat zich zo graag met gebalde vuist verzet tegen machten die de vrije wil, de kritische geest en de zelfontplooiing willen beknotten. Maar hoe breng je zo’n meesterwerk aan bij laatstejaars in het secundair onderwijs zonder dat het later een vage herinnering wordt aan een titel op een stoffige leeslijst? Laat ik overal op school camera’s plaatsen? Of hang ik affiches uit? Naast de namen van hun klasfuiven: “Meneer Delrue is watching you!”

Ik begin de lessenreeks over macht en ideologie een pak subtieler. Met een klein experiment waarmee de Amerikaanse psycholoog Solomon Asch in de jaren vijftig al ophef maakte.

Afbeeldingsresultaat voor asch

In hun cursus vinden mijn leerlingen een afbeelding met vier lijnstukken. Links staat lijnstuk X, rechts ervan drie andere, waarvan lijnstuk B even lang is als X. A is beduidend korter, C opvallend langer. Met op een na alle leerlingen van een klas spreek ik van tevoren af dat ze – met opzet fout – C moeten antwoorden als ik vraag welk lijnstuk even lang is als X. Het kost hen enige moeite om hun gegrinnik te onderdrukken. Ik voel de spanning in het lokaal, maar ze spelen gezwind het spelletje mee. In de meeste klassen antwoordt het onwetende slachtoffer ook met C. De klasgenoten kijken me dan met grote ogen aan terwijl ik sta te glunderen. Punt gemaakt. Maar in deze klas heb ik een non-conformist uitgekozen. “Zijn jullie allemaal blind? Of hebben jullie een andere bundel dan ik?” Een sterke persoonlijkheid. In zijn ogen zal 2 + 2 nooit 5 zijn.

Nog voor we echt van start gaan vraag ik hen wat ze in deze lessenreeks willen bijleren. Ik laat een blad rondgaan. “Hoe het in de geschiedenis is misgelopen” en “hoe het allemaal zo ver is kunnen komen”, lees ik het vaakst. “Hoe ik anderen kan manipuleren”, heeft er een genoteerd. Ik hoop dat het een grap is.

Nu beginnen we aan het echte werk. We lezen fragmenten uit Orwell en Jung Chang en ik laat hen zelf een tekst schrijven over de verlammende kracht van het groepsgevoel. Ik help hen op weg. “Denk aan voetbalclubs, logo’s, uniformen.” Ze pruttelen tegen. Ze houden niet van schrijfopdrachten. “Alsof wij ook met een wit hemd en een jeansbroek naar school zouden komen.” In het vierde hebben ze ‘Die Welle’ gezien, de verfilming van het boek van Morton Rhue waarin een schoolproject rond autocratie uit de hand loopt. “Misschien niet. Maar zit er geen gelijkaardig patroon in jullie Adidasschoenen en jullie Napapijri-jassen?” Ik heb een gevoelige snaar geraakt, maar ik bedwing hun gemor want we moeten nog één stap verder zetten in de lessenreeks: de analyse van een Deense film die enkele jaren geleden mijn ogen opende.

Kent u ‘How to get rid of the others’? Het is een zwarte komedie uit 2007 die zichzelf promoot als een politiek incorrecte satire. De openingsscène toont een corpulente vrouw in een elektrische rolwagen die rookt en drinkt. Als de batterij van haar wagentje het begeeft en ze een hulplijn belt, vragen ze haar om haar coördinaten door te geven. Niet veel later verschijnt een helikopter waar vijf gewapende mannen uitspringen die de vrouw omsingelen. Ze brengen haar, met karretje en al aan de helikopter bengelend, naar een verlaten schoolgebouw. Daar verzamelen ze iedereen die niets tot de samenleving bijdraagt, om die uiteindelijk te liquideren. Als één politicus vindt dat je alle profiteurs moet opruimen, kan dat dan uitgroeien tot de heersende ideologie? De leerlingen schrikken van de kille harteloosheid van de film en we koppelen terug naar hun uitgangspunt. Hoe is het ooit zover kunnen komen?

Afbeeldingsresultaat voor how to get rid of the others

Wat hoop ik zelf met deze lessenreeks te bereiken? Dat ze nooit zullen aanvaarden dat 2 + 2 gelijk is aan 5, dat ze nooit zullen aanvaarden dat lijnstuk X even lang is als lijnstuk C, dat ze op een bepaald punt in hun leven ‘1984’ mogen ontdekken en dat ze zich dan ook met gebalde vuist zullen verzetten tegen alle machten die hun vrije wil, hun kritische geest en hun zelfontplooiing willen beknotten.

Kleur jij mee buiten de lijntjes?

magdag

“Het is nu natuurlijk niet de bedoeling om in je zwembroek te komen lesgeven.” Onze directeur stelt Vrijdag Magdag voor op de personeelsvergadering. Dat initiatief daagt leraren uit om het op vrijdag 2 maart eens op een heel andere manier aan te pakken. Want blijven Vlaamse leraren te veel vastklampen aan bestaande, vertrouwde patronen? En is er te weinig ruimte voor originaliteit en experiment?

“De perfecte les bestaat niet.” Wijze woorden van mijn meter-vakcollega als ik 10 jaar geleden mijn eerste stappen in het onderwijs zet. Wat ze zegt, klopt. Sindsdien ben ik blijven schaven en sleutelen aan mijn lessen.

Geen sector is zo veranderlijk en onvoorspelbaar als het onderwijs. Elke les is anders, elke klas is anders, elke dag is anders. Dat lijkt in strijd met ons verlangen naar orde en regelmaat. Wij zijn leraren, wij leren onze leerlingen dag in dag uit binnen de lijntjes te kleuren. Maar het houdt onze job wel boeiend.

Leraren zijn natuurlijk gewoontedieren. We kunnen ons nu eenmaal geen mislukte performance veroorloven. Dat drukt een inspecteur van de doorlichting me vorig jaar nog met een waarschuwende vinger op het hart: leraren die met hun leerlingen de leerplandoelstellingen niet bereiken zorgen voor sociale ongelijkheid. Die boodschap komt aan. Lesgeven is meer dan een publiek entertainen. Wij leiden kinderen en jongeren op en stomen hen klaar voor de grote wereld. Logisch dus dat je als leraar niet zomaar een sprong in het diepe waagt.

En toch is die sprong de moeite waard. Want het is een essentiële denkoefening. Hoe blijf ik verrassen? Wat kan ik anders aanpakken? Hoe breng ik dat ene thema het best aan? Zelfreflectie. Wie voor een job als leraar kiest, ontkomt er niet aan. Ik vraag me af: welke leerinhouden of doelen zullen mijn leerlingen het langst meedragen? En ik stel vast: ik bereik die vaak tijdens uitwisselingen, uitstappen, wedstrijden. Leerlingen uit de veilige context van een klaslokaal weghalen, levert op.

“Zo’n leerrendement haal je nooit in je klas”, zegt mijn departementshoofd talen als we samen met de leerlingen nakaarten na een debatwedstrijd. Ook tijdens de poëziewandeling in Gent eerder dit schooljaar bloeien mijn leerlingen open. Verwonderd kijk ik toe hoe ze gedichten uit het straatbeeld aan elkaar voorstellen. Gretig en diepgaand. Omdat ze midden in de wereld staan?

Leerlingen zitten dag in dag uit urenlang neer op de schoolbanken. Van de peuterklasjes tot het hoger onderwijs. Zitten, luisteren en informatie opnemen. Geen wonder dat de lessen die eruit springen langer blijven kleven.

Hoe zal ik zelf mijn lessen op Magdag invullen? Dat is niet zo simpel. Wat goed dat Klasse de ‘glunderblunder’ heeft gelanceerd: zonder angst om fouten te maken mogen we iets uitproberen. En dan spoelen de ideeën vanzelf aan. Ik laat mijn leerlingen The Wolf Among Us spelen, een videogame waarin moderne sprookjesfiguren in het huidige New York proberen te overleven. Of ik lees hele lappen voor uit mijn favoriete romans. Of ik stop mijn leerlingen een camera in hun handen. En breng hen de beginselen van de filmmontage bij. Want binnenkort boksen ze in mijn les Engels een talkshow in elkaar. Of ik laat mijn leerlingen strips tekenen en vertalen in de les literatuur. Een idee van mijn collega Frans.

Afbeeldingsresultaat voor wolf among us cover

Het knettert in mijn hoofd. Opmerkelijk hoe bevrijdend het is om de druk van de dagelijkse routine, de jaarplannen en de leerplandoelstellingen voor één dag op te schorten en de verwachtingen van de leerlingen en hun ouders te doorbreken. Als we als Vlaamse leraren willen aantonen dat we inspelen op een wereld die sneller dan ooit tevoren verandert, kunnen we niet blijven stilstaan. Vooruitgang is een proces met vallen en opstaan en een ‘glunderblunder’ op Magdag kan een stap in de goede richting zijn.

Ik werk op een school met 160 collega’s. Benieuwd wat dat zal opleveren. Ik voorspel nu al een bruisende, boeiende dag. En stiekem hoop ik dat er toch één collega is die in zwemkledij komt opdagen.

Het laatste woord (#geen prijzen #weltrotseleraar)

BeFunky Collage.jpg

“We moeten niet náást elkaar leven. We moeten mét elkaar leven. Ik dank u.” Mét klemtonen en vol overgave. Het is mooi om te zien hoe mijn leerlingen opgaan in de stellingen die hen worden voorgeschoteld op het Benelux Debattoernooi.

Na de registratie in een imposant oud salon van het Sint-Lievenscollege in Gent zitten we in de aula te wachten tot de wedstrijd begint. We zijn mooi op tijd, iedereen is er vlot geraakt en mijn leerlingen steken nog snel de koppen samen over de enige stelling die van tevoren bekend werd gemaakt: “E-sports moeten onderdeel worden van de Olympische Spelen.” Ze hebben eerder vanochtend nog een artikel gevonden in De Tijd. Ze maken screenshots en leren nog snel wat namen en wat cijfers uit het hoofd.

p2101670.jpg

Ik observeer de andere kandidaten en hun begeleidende leerkrachten in de zaal en probeer onze kansen in te schatten. We zijn natuurlijk rookies en we moeten realistisch blijven, maar ik voel hoe het competitiebeest in mezelf de kop opsteekt. Wie is nu het meest zenuwachtig, vraag ik me af. De organisatoren? De debaters? Hun supporters? Of de leraren? Even later verschijnt de verdeling van de teams voor de eerste debatronde op het scherm en alle deelnemers vertrekken naar de verschillende debatlokalen. De leerlingen kunnen niet zelf kiezen of ze aan de kant van de voor- of de tegenstanders zullen strijden. Wel krijgen ze een kwartier om samen hun betoog voor te bereiden en mijn leerlingen gaan meteen aan de slag. Alsof ze dit al jaren doen. Maar ik weet goed dat dit hun eerste keer is. Hopelijk laten ze zich door de meer ervaren debaters niet zomaar intimideren.

De wedstrijd telt drie debatrondes en het Bernarduscollege heeft drie teams afgevaardigd. Ik kan dus bij elk team één keer gaan supporteren. Maar nog voor de aanvang van het eerste debat ontstaat al wat verwarring. Onze tegenstanders, een team uit Blankenberge en klaarblijkelijk ook beginners, hebben in de verkeerde volgorde plaats genomen achter hun banken en dat zorgt meteen voor een kregelige voorzitster. Ook bij mijn eigen leerlingen merk ik dat de kneepjes van het vak nog niet goed genoeg zijn aangeleerd. Als een jurylid drie vingers omhoog steekt -een teken dat er nog drie minuten overblijven voor het betoog van de spreker- onderbreekt mijn leerling zijn speech, als om haar de kans te geven haar vraag te stellen.

Tijdens de broodjesmaaltijd (compleet met pindakaas) zie ik toch vooral trotse gezichten aan onze tafel. Twee van de drie teams hebben hun eerste ronde gewonnen! “We hebben Ovidius gebruikt, meneer!” Vooraf had ik hen verteld dat de jury houdt van een duidelijke structuur en van quotes en slogans die blijven plakken. “Laat anderen het verleden maar prijzen; ik ben blij dat ik nu pas geboren ben.” In een debat over e-sports kan dat tellen. Tussen hun boterhammen en hun stuk fruit door wisselen ze feedback uit en geven ze tips aan elkaar. Ik voel me een bokscoach. Mondstuk uit. Zweet deppen. Peptalk. Mondstuk in. Klaar voor de tweede ronde!

Hun enthousiasme werkt aanstekelijk. Wat doen ze goed hun best! Maar steeds meer begin ik te beseffen dat we niet zijn opgewassen tegen de ervaren en goed getrainde teams uit Nederland. Daar bouwen ze al jaren aan een heuse debatcultuur. Voor hen is het een erezaak die te vergelijken valt met sportwedstrijden. Met hele bussen kwamen ze deze ochtend vanuit Rotterdam naar Gent.

Als we na de derde ronde opnieuw in de aula verzamelen, hoor ik de leerlingen zeggen dat ze een fantastische ervaring rijker zijn. En daar doen we het voor. Dat prent ik me in terwijl ik zo onopvallend mogelijk mijn fototoestel opberg nadat de winnaars bekend werden gemaakt. Erg teleurgesteld lijken mijn leerlingen niet. Ze hebben iets bijgeleerd, vinden ze. Dat is wat telt. “Ons derde debat was echt al veel beter dan ons eerste, meneer.” Doel bereikt.

We hadden zo graag het laatste woord gehad en een trofee mee naar Oudenaarde genomen, maar de podiumplaatsen waren dit jaar enkel voor Nederlanders weggelegd. Hun flamboyante welbespraaktheid won het dit keer van onze Vlaamse bescheidenheid en nuchterheid. Maar we komen terug! Het laatste woord van het Bernarduscollege hebben ze daar bij de Debatunie nog niet gehoord.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA