Hugo wie?

Hugo wie

Of ze nog weten wie de enige Belg is die tot hiertoe de Nobelprijs literatuur won. Of ze Het verdriet van België nog lezen. Of De goddelijke komedie. Of ze Frida Kahlo nog (her)kennen. Het wordt ijzingwekkend stil in de klas. Wie er in de jury van The Voice zit. Of wie er Steracteur Sterartiest won. Dat weten mijn vijfdes dan weer wel. Moeten we ons zorgen maken? Volgens de gevierde Italiaanse auteur Alessandro Baricco is er helemaal geen reden tot paniek. Onze beschaving is aan het muteren en diepgang is een leugen, schrijft hij in zijn tot boekvorm uitgegroeide verzameling essays ‘De barbaren’.

“Het kost al heel veel moeite om je eigen kluitje aarde te begrijpen”, lezen we in de inleiding van zijn boek en toch onderneemt Baricco een poging om de verschuivingen of de ‘mutatie’ van onze cultuur te vatten. Hij benoemt onze tijd zelfs als een kantelmoment dat net als de Verlichting de hele wereld opnieuw definieert. Zijn we dan al toe aan het post-postmodernisme en kan er in onze ‘zeitgeist’, die wordt gekenmerkt door snelheid, oppervlakkigheid en overdaad, überhaupt sprake zijn van een eenvormige beweging of een stroming? Baricco biedt met zijn ‘barbaren’ vooral een pilletje aan tegen het cultuurpessimisme dat wordt gekenmerkt door een elitair bejammeren van de onherroepelijke degeneratie van de cultuur. Jongeren lezen niet meer, geen kat weet nog wie Frida Kahlo was en over een aantal jaar is De Goddelijke Komedie enkel nog dat obscure boek dat ter inspiratie diende voor Dan Brown. Je weet wel. Die van Tom Hanks. Maar volgens Baricco valt het allemaal best mee.

“Is onze beschaving om zeep omdat u niets over deze vrouw weet?” Dat stond als onderschrift bij Kahlo’s zelfportret op een cover van dS Weekblad toen er een artikel in verschenen was over De barbaren. Met die vraag vang ik de eerste les na de kerstvakantie aan. Ik ga zelfs demonstratief rond met het magazine zodat iedereen de afbeelding goed kan zien. Het blijft stil in de klas. Astrid Bryan en Jeroen Meus, die in de inleiding van het artikel worden genoemd, kennen ze dan weer allemaal. Wat gegniffel ondersteunt de helaasheid der dingen.

Staan de barbaren aan de poort? Is onze beschaving aan het afglijden? Worden wij met z’n allen kinderen van de oppervlakkigheid, de bitesize massa’cultuur’? Idioten in wording? Ik laat mijn leerlingen, na het lezen van het artikel, in kleine groepjes zelf hun mening uitwerken. Sommigen durven voorzichtig cultuurpessimisten als Mario Vargas Llosa en Gerrit Komrij bij te staan. “Ja, dat is eigenlijk wel erg dat we er niets meer van kennen.” Anderen steunen Baricco. “Maar wij kennen dan weer andere dingen.” De meesten antwoorden genuanceerd. De echte groten, de zogenaamde monstres sacrés, die willen ze nog aangeleerd krijgen. Picasso? Da Vinci? Beethoven? Claus? Waarom die wel en anderen niet? Niemand antwoordt. En ook ik moet het antwoord schuldig blijven. Voorlopig. Over de (literaire) canon zullen we het in het zesde hebben.

“En u, meneer?” Wat mij vooral stoort aan de analyse van Baricco is het belang dat hij hecht aan het onderscheid tussen ‘hoge en lage’ cultuur. Highbrow en lowbrow. Virginia Woolf en Spider-man. Walter Benjamin en Mickey Mouse. Blote vrouwen en strips worden in Baricco’s discours onmiddellijk en onverbiddelijk verbannen naar de lagere regionen. Maar goed dat hij niets over videogames schreef. De laatste weken houdt een Pools spel, The Witcher 3, mij al urenlang aan zijn missies gekluisterd. En het is, literair gezien, verdomd goed. In zekere zin beweert Baricco dat hij de sleutel tot het begrip van de nieuwe cultuurstroming gevonden heeft in het samengaan van hoog en laag, in het vervagen van de grens tussen die twee. Hoge cultuur zou voor sommigen lastig, vermoeiend en verstikkend zijn. Baricco raadt zijn lezers aan om open te staan voor die ‘nieuwe’ cultuur van ‘lage’, wereldse uitingen die aansluiting vinden bij een wereld zonder boeken, een wereld die los van boeken bestaat. Middelmatigheid en oppervlakkigheid beïnvloeden de huidige cultuur zonder die te bedreigen. Zegt hij. Om het met zijn metafoor te zeggen: waarom een dure, exclusieve wijn degusteren als je ook ‘hollywoodwijn’ kan kopen?

Het mag duidelijk zijn dat ik een enorme liefhebber ben van ‘lage’ cultuuruitingen. Ik ben een grote fan van rioolhorrorfilms, van abjecte cultcinema, van comic books, van videogames, van rock ’n roll en extreme metal. Maar ik hou niet van middelmatigheid en oppervlakkigheid. De dreiging van de barbaren komt volgens mij dan ook niet voort uit een steeds groter wordende aandacht voor het lage of uit een soort stelselmatig ‘afzwakken’ van cultuur. Het verliezen van onze kritische geest, het hersenloos slikken van wat massamedia ons voorschotelen, verveling, apathie en -vooral- een gebrek aan gretigheid en immersie. Dáár word ik bang van.

Ben ik dan een verbitterde cultuurpessimist die vindt dat de nieuwe generatie ongeïnteresseerd, ongenuanceerd en vlak is? Misschien. Ik leef vaak in onvrede met de wereld om me heen. Als ik zie hoe leerlingen soms met één oog flarden van filmpjes op kleine schermpjes bekijken en hoe ze met één oor flarden van muziek beluisteren, als ik zie hoe ze als een gek over hun schermpje vegen om fruit fijn te hakken of communiceren met een overdaad aan smileys en leestekens. Ja, dan maak ik me zorgen.

Maar een pessimist ben ik niet. Morgen maken ze een toets over Baricco en het artikel uit dS Weekblad. Zullen ze tegen dan hebben opgezocht wie de enige Belg is die tot hiertoe de Nobelprijs literatuur won? Zullen ze zijn naam onthouden en -belangrijker- ooit zijn teksten lezen? Ik hoop het.

Het is de hoop van een cultuuroptimist.

Advertenties

Nieuwjaarsbrief

image.37

Beste leerlingen

2017 is nu enkel nog herinnering en een fris, nieuw jaar ligt voor ons klaar. De feesten zijn achter de rug. We wensten elkaar het beste toe en maakten goede voornemens. Wat blijft oud en nieuw toch een prachtig overgangsritueel. Voor de oude Kelten was het einde van het jaar al een waar feest. Samhain. Gewassen die niet konden overwinteren werden geoogst en dieren die daardoor onvoldoende te eten hadden werden geslacht. Toen al lag een copieuze maaltijd aan het feest ten grondslag. Maar de essentie van het ritueel was de cyclische tijdsbeleving. Een nieuw jaar dient zich aan. Elke keer opnieuw. Een jaar vol nieuwe kansen en mogelijkheden.

We hebben ons verversingsstation bereikt. Kaap de Goede Hoop. We zijn halfweg de wandeling, om het met de woorden van een Oudenaards dichter te zeggen. We zullen het in het tweede semester nog wel over hem hebben. Nieuwjaar. Een uitgelezen moment om stil te staan bij wat geweest is, om vooruit te blikken op wat komen zal en -vooruit dan maar, Delrue doet mee- om onze nieuwjaarswensen te delen met elkaar.

Het liefst zou ik op maandag mijn les beginnen met één woord in grote krijtletters aan het bord te zetten. Empathie. Eerder schreef ik op deze blog al over mijn voorganger die in een andere tijd hetzelfde deed met het woord verwondering. Ik sprak hem erover aan op de kerstreceptie. In zijn blik zag ik trots en nostalgie. Zijn nalatenschap leeft voort. Uiteraard is verwondering in de wereld waarin wij leven onmisbaar. Dat heeft zelfs ons koningshuis begrepen. Maar als eerste deel van mijn wens voor jullie, beste leerlingen, wil ik het hebben over empathie. Je weet wel, het vermogen en de bereidheid om je te verplaatsen in een ander, om aan te voelen hoe een ander zich voelt, denkt, handelt en om te kunnen meeleven met elkaar. Ik kwam het woord de afgelopen dagen voortdurend tegen. Het tijdschrift Etcetera publiceerde in zijn laatste nummer een schitterend stuk over de empathische blik in het theater (http://e-tcetera.be/), volgens de roman Blade Runner is empathie het enige kenmerk op basis waarvan men humanoïde robots -hoezeer ze ook op ons lijken in de sci-fi wereld van Philip K. Dick- van de mens kan onderscheiden en toen ik willekeurig een rondslingerend boek opensloeg in mijn ouderlijke huis, kwam ik terecht bij een hoofdstuk over empathie in musea. Sign of the times? Elke eeuwwisseling gaat volgens de cultuurgeschiedenis gepaard met angst, onzekerheid en wanhoop. Fin de siècle wordt dat genoemd. 18 jaar geleden uitte zich dat in de massahysterie rond Y2K. Het jaar 2000 hebben we overleefd en ook in 2012 is de wereld niet vergaan, los van wat de Maya’s voorspelden, maar het kan geen toeval zijn dat een verlangen naar meer empathie vandaag de dag zo vaak de kop opsteekt. Leven we in een kille, eenzame wereld? In het eerste semester zagen we hoe de hoffelijkheid uit de middeleeuwen, de mentaliteit waarbij de ander op de eerste plaats komt, heeft moeten wijken voor lifestyle, waarbij vooral het ‘ik’ wordt gecultiveerd. In een wereld die steeds meer op het individu gericht is en steeds meer in zichzelf gekeerd wens ik jullie empathie toe, beste leerlingen, zodat jullie elkaar leren verstaan en kunnen praten met elkaar, zodat jullie niemand in de kou laten staan en zodat jullie doorheen de blik van de ander ook zichzelf beter leren begrijpen.

Het is niet schoon van mij, ik geef het grif toe. Ik heb jullie de voorbije maanden wel eens haperende tl-lampen genoemd. Maar geef toe, het flikkert soms in jullie hoofden. Wat zijn jullie snel afgeleid en wat zijn jullie vaak met verschillende dingen tegelijk bezig. In zijn essay ‘De barbaren’ noemt de Italiaanse schrijver Alessandro Baricco jullie horizontale mensen. Surfend over de oppervlakte zoeken jullie betekenissen die jullie kunnen verbinden met elkaar. Een still uit een film als affiche voor een klasfuif, maar hebben jullie de film ook gezien? Een logo van een band op jullie kledij, maar kennen jullie de muziek nog? Niet de ringtones of de samples, de integrale nummers. Volgens Baricco is diepgang een leugen. En toch is dat net mijn tweede wens voor jullie, beste leerlingen: de tijd vinden en de rust kunnen nemen om tot diepgang te komen. Verdiep je in de leerinhouden, de romans en de verhalen die je in het tweede semester voorgeschoteld krijgt, maar verdiep je ook in datgene wat naast schoolwerk op jullie pad komt. Weiger genoegen te nemen met de periferie en dring door tot de kern, de essentie van de dingen. Bewijs dat jullie geen oppervlakkige, hersenloze zombies zijn en toon aan dat diepgang geen leugen is. Neem in het nieuwe jaar voldoende vaak de tijd om los te komen uit jullie horizontale netwerken en duik de diepte in. Je zal merken dat het in een wereld die steeds verder versnipperd raakt erg waardevol is.

Ten slotte wens ik jullie in 2018 een gezonde portie gretigheid en goesting toe. Gretigheid en goesting om telkens weer op ontdekkingsreis te vertrekken. Want -het werd onlangs nog uit volle borst meegezongen door het Sportpladijs- de wereld ligt aan je voeten. Gretigheid en goesting om te weten waar je mee bezig bent, om te weten waarom je iets doet, waarom je iets bestudeert en om te weten waar je heen wil en wie je wil worden. Gretigheid en goesting om maandag uitgerust en met nieuwe energie te beginnen aan het tweede deel van onze reis.

Dat wens ik jullie toe. Van harte.

Jullie kapoen

Meneer Delrue

Een mens kan maar zijn best doen

23334108_827515267433088_6470014399817725114_o

“Maar meneer, wij zijn de enige school die dat doet.” Het is schoolcross. Hoogdag voor sporters en sprinters, pufdag voor vele anderen. We verzamelen in de klas zodat ik de aanwezigheden kan opnemen en de rugnummers kan uitdelen. Ze zijn onrustig. Ze beseffen goed dat ze zich zo dadelijk zullen moeten bewijzen. “Waarom moeten wij dat eigenlijk doen?” – “Omdat het een machtige metafoor is voor het leven”, probeer ik. Het werkt niet. Ze blijven me met gefronste wenkbrauwen aanstaren. “Omdat je moet laten zien dat je je best kan doen.”

Dat antwoord slingert me vijftien jaar terug in de tijd. Ja, ook ik heb de schoolcross moeten lopen. De leraar Latijn stond toen aan de zijlijn te supporteren. Het was één van die momenten waarop leerlingen inzien dat leerkrachten in feite ook maar mensen zijn. Ik was niet erg goed in Latijn en vermoedde dan ook dat de leerkracht op mij neerkeek. Maar toen we onze spieren losliepen tijdens een opwarmingsrondje, riep hij “Komaan, hé, jongens! Goed doen!” Had hij dan toch vertrouwen in mij? “We kunnen maar ons best doen, meneer”, probeerden wij te relativeren. “Klopt”, zei hij, “een mens kan maar zijn best doen. Maar dan moet hij daadwerkelijk zijn best doen.” De Latijnse naamvallen en de teksten van Cicero en Plinius zijn vervlogen, maar dié zin heb ik onthouden.

En nu sta ik zelf aan de zijlijn. Met een warme jas en een paraplu. Leerlingen die niet kunnen of mogen meelopen komen zelfs rond met koffie. Ik kijk rond, slurp geregeld wat warmte binnen en geniet van de folklore om me heen. De cross is onlosmakelijk met onze school verbonden. Het is een soort overgangsritueel voor alle lopertjes. Er is op vijftien jaar tijd veel veranderd in het onderwijs, maar de cross, daar blijven ze af! Nog steeds dezelfde spanning aan de start, nog steeds hetzelfde startschot, nog steeds de eerste sprintstrook waar de meesten zich al helemaal opbranden.

 

Er zijn er die blazen en puffen, er zijn er die lachen, onnozel doen en contact zoeken met het publiek dat hen vleugels geeft en er zijn er die enkel focussen op het te lopen traject. Dit is echt een machtige metafoor voor het leven. Ik kan het alle schooldirecteurs te lande alleen maar aanraden: organiseer bij de start van elk schooljaar een loopwedstrijd. Het is de ideale kans om je leerlingen echt te leren kennen. Van de krempers die met hun uitvluchten aan de zijlijn staan tot de bijters die ondanks een verkoudheid voorop lopen. Van de stoefers met hun grote mond tot de doorzetters die op hun eigen tempo het parcours afleggen. Sommigen geven alvast de blauwdruk van hun levensloop prijs.

 

Winnen is een erezaak op de cross. Het moet heerlijk zijn om iedereen achter jou te kunnen laten en als eerste de finish te bereiken. Ik zou in elk geval door het lint gaan. Bovendien krijgen de winnaars een medaille en drie zoenen van de directie. Je zou voor minder je best doen. Met de derdejaars wonen we de podiumceremonie van de vierdes bij. “Volgend jaar sta jij daar”, hoor ik mijn collega tegen een schuchtere leerling zeggen. “Ik doe mijn best”, antwoordt de jongen. Dat is het voornaamste. Als hij daadwerkelijk zijn best doet, tenminste.

Moeder, waarom lezen wij (niet meer)?

Afbeeldingsresultaat voor shakespeare and company
“Laissez lire, et laissez danser; ces deux amusements ne feront jamais de mal au monde.” – Voltaire

Er is iets aan de hand. Deze week las ik verschillende krantenartikels waaruit blijkt dat het dezer dagen niet goed gaat met lezen. “Er staat water in de kelder van het huis van deze samenleving”, waarschuwt Jeroen Olyslaegers. Nu hoort u het ook eens van een ander, moet menig taalleerkracht hebben gedacht. Zij merken immers al jaren dat het leesniveau aan het dalen is. Ik hoor het de anglofielen onder hen al zeggen: told you so.

Het is ondertussen bijna een traditie geworden. In september start ik in het vijfde jaar met een tekst van Ronald Giphart getiteld ‘Weg met de leespolitie’. Volgens de Nederlandse schrijver loopt het mis op de middelbare school. “Literatuur heeft het dan definitief verloren.” Het heeft met verzet tegen verplichting te maken, stelt hij. Vraag jongeren om hun kamer op te ruimen en ze verliezen meteen hun motivatie om dat te doen.

Een andere jaarlijkse gewoonte in september: de les met de boeken. Eén keer per jaar breng ik een box vol boeken mee naar de les met daarin allemaal titels die op hun leeslijst staan. Daar, het woord is eruit. Leeslijst. Ik kies voor een open lijst wat inhoudt dat ze suggesties mogen doen. Meermaals druk ik hen op het hart dat ze zelf een geschikt boek moeten ontdekken. Ze zijn nu immers de mannen en de vrouwen aan het worden die ze de rest van hun leven zullen zijn en literatuur kan daar een belangrijke rol in spelen. Ze lachen mijn opmerking weg. “Altijd zo filosofisch, meneer”. Maar stiekem vinden ze die boekenles wel fijn. “Moeten wij dat kennen, meneer?” Ik vraag hen alleen om aandachtig te luisteren en om minstens drie titels aan te kruisen die hun interesse hebben gewekt. Ze mogen eerst zelf in de box grabbelen en een boek kiezen. Hun keuzecriteria zijn erg uiteenlopend: de kaft, de inhoud, de eerste zin, de grootte van de letters. “Mijn mama heeft thuis een boek van die auteur”, zei er één. En dan begin ik de boeken voor te stellen. Ik lijk wel een marktkramer die zijn waren aanprijst. Maar als ik zie hoe geboeid ze naar verhalen kunnen luisteren en hoe vervelend ze het vinden wanneer een verhaal wordt afgebroken, dan geloof ik niet dat literatuur het in het middelbaar definitief verloren heeft. Cliffhangers doen het nog steeds. Ik las het onlangs in The Guardian (in een recensie van een videospel): de essentie van literatuur is dat we gewoonweg móeten weten wat volgt.

Er moet natuurlijk een onderscheid gemaakt worden tussen verschillende soorten van lezen. Literair lezen -la joie de lire, zoals mijn Franse collega’s het zo mooi kunnen verwoorden- heb ik eigenlijk pas na het middelbaar onderwijs ontdekt. Ik beken, ik heb niet veel boeken gelezen toen ik hier zelf op de schoolbanken zat. Maar vóór dit zinnetje tegen mij gebruikt wordt, voeg ik daar nu graag aan toe: en daar heb ik spijt van. Leesvaardigheid is natuurlijk veel meer dan genietend wegdromen in fictieve werelden. In de PIRLS (de internationale Progress in International Reading Literacy Study waaruit bleek dat Vlaamse tienjarigen niet langer tot de top behoren) moeten leerlingen onder meer het effect van het gehanteerde taalgebruik bespreken, gebeurtenissen interpreteren en complexe informatie uit verschillende delen van een informatieve tekst halen (Amkreutz, 2017).

Het leesplezier verdwijnt en het leesniveau is in vrije val, staat in de kranten te lezen. De reacties zullen niet lang op zich laten wachten. Ze hebben geen concentratiespannes meer zoals vroeger, ze kunnen niet meer stilzitten, ze weten niet meer waar ze mee bezig zijn. Videogames zullen wel weer als een boosdoener genoemd worden. Jammer, want net die wereld slaagt er de laatste jaren, meer dan eender welk ander medium, in om jongeren mee te nemen naar verbeelde werkelijkheden. Akkoord, de wereld waarin ze opgroeien is een vluchtige wereld en alle gadgets en kleine schermpjes die ze in hun broekzakken met zich meedragen bieden weinig rust. Is er dan gewoon geen tijd meer om te lezen? Kijk eens in eigen boezem: wanneer las u voor het laatst nog eens een tekst volledig door? Zonder te skimmen. Zonder te scrollen.

Hebben we allemaal te kampen met een ontstellend gebrek aan diepgang? Zijn we allemaal slachtoffers van een soort Slimste-Mens-denken? Puntjes opsommen. Laat alle context, samenhang en eigen inzichten maar achterwege. In zijn essay ‘De Barbaren’ noemde Alessandro Baricco ons al surfers. We zoeven over de oppervlakte heen en proberen daar elementen die voor ons betekenisvol zijn aan elkaar te linken. Auteurs herleid tot citaten, films herleid tot trailers. Kennis herleid tot puntjes. En dat alles zoveel mogelijk en zo snel mogelijk gedeeld en geliket. Waarom zouden surfers naar de diepte moeten duiken? Omdat daar schatten liggen! En omdat niet alleen de aanblik ervan, maar ook de reis ernaartoe een onmisbare ervaring kan bieden! En, om Giphart nog maar eens te parafraseren, omdat we er betere mensen van worden.

Het VVKSO neemt in zijn leerplan Nederlands voor de derde graad zeven eindtermen ‘lezen’ op. Wat zou ik daar graag een achtste aan toevoegen: leerlingen zijn bereid om zich met liefde te verdiepen in fictie. Graphic novels, video games en series incluis. Want, laten we wel wezen, ze zijn voor hen betekenisvoller dan ‘De ontdekking van de hemel’. De totaalroman van Mulisch blijft een meesterwerk, maar die duik nemen ze later wel, als ze tenminste hebben geleerd hoe bevredigend en verrijkend dat kan zijn. Ik zie het als één van de voornaamste aspecten van mijn job als leraar om mijn leerlingen een zekere liefde voor taal en literatuur bij te brengen. Op dat vlak ben ik meer en meer een wandelend cliché aan het worden. Ik blog, lees graag en veel en schrijf soms literatuurrecensies. En ik heb een partner die in een boekenwinkel werkt.

Als we jongeren willen laten lezen, moeten we lezen aantrekkelijk maken. Utile dulci! Klasse magazine gaf eerder dit jaar 6 tips mee om jongeren aan het lezen te krijgen. Zo organiseerde lerares Anaïs zelfs heuse leesfeestjes. Mét een glaasje chocolademelk. En zonder onderscheid tussen wat Virginia Woolf al bestempelde als lowbrow en highbrow. Hugo Claus en Marvel comics, José Saramago en Resident Evil.

Ik heb natuurlijk makkelijk praten. Ik geef les aan leerlingen die bereid zijn om te lezen, om hard te werken en om bij te leren. Met hun leesniveau valt het best wel mee. Maar ik ben blij dat het belang van lezen dankzij de flauwe PIRLS-resultaten weer even op de agenda wordt gezet. Het is immers een prachtig ritueel. Tijd nemen voor een boek, er je tanden in zetten en het savoureren, je laten meeslepen op de kadans van de taal en ondertussen merken hoe de dingen in je hoofd samenkomen, betekenis krijgen en op hun plaats vallen. Een mooie vorm van defragmentatie. Als antwoord op de vraag waarom we als mensen met kunst bezig zijn, antwoordde de Poolse theatermaker: “om onszelf te vervullen”. Dat lijkt me een mooi motief om te lezen, moeder.

 

Eenzame dagen

eenzame dagenZo. Ook het laatste examen staat op punt. Dan mag er al eens een Westvleteren opengetrokken worden. Of zou ik niet beter eerst alles nog maar eens een keer nalezen? Staan er geen stomme tikfouten in? Heb ik geen werkwoordfout over het hoofd gezien? De horror voor elke taalleerkracht! Klopt mijn puntenverdeling overal? Heb ik vragen over elk leerstofonderdeel? Een goed opgesteld proefwerk peilt naar leerinhouden van het hele semester en dwingt leerkrachten in die zin om het werk van de afgelopen weken te overschouwen. Wat een periode, bedenk ik als ik door mijn digitale schoolagenda scroll. Ik word er bijna nostalgisch van.

Het is gebeurd. Ze zijn als pdf doorgestuurd naar de digitale drukkerij. Ik geeuw, strek mijn lichaam -dat de laatste dagen vergroeid leek met mijn computer- helemaal uit en slaak een diepe zucht van opluchting. Maar echt juichen doe ik nog niet. Ik heb voldoende ervaring in het onderwijs om te begrijpen dat ik mijn schaapjes nog lang niet op het droge heb. Alle examenbundels mogen dan wel keurig in hun enveloppen klaarliggen op het secretariaat en de vakantie mag dan wel lonken, er moeten eerst nog bergen verzet worden. Letterlijk. Al die bundels moeten uiteindelijk immers terechtkomen op de stapel ‘verbeterd.’

En dan zijn er nog de toezichten. Ik hou van mijn job. Echt waar. Maar als er tijdens het schooljaar één periode is die ik liever oversla, dan zijn het de kerstexamens. Met het geduld van een suppoost en de blik van een begrafenisondernemer schuifelen we hele voormiddagen rond in turnzalen of refters. Van de aanblik van die geconcentreerde gezichtjes, die dag na dag nog bleker en grauwer worden en steeds harder beginnen te puffen, wordt een mens ook niet echt vrolijk. Hoe zal ik dit jaar de uren volmaken? Mijn leerlingen leerden me deze week dat ik hen als leraar tijdens een toezicht erg makkelijk kan irriteren. Een paar tips (ik geef ze maar mee voor wie ze wil uitproberen): over de schouder meekijken naar wat ze noteren, streng in de cursus neuzen die naast hun tafeltje ligt of hakken dragen. Dat laatste zie ik mezelf nog niet meteen doen. Ik hou het dan ook liever op minder irritante manieren om de tijd te doden. Zo probeer ik liedjes te zingen in mijn hoofd of laat ik er scènes uit mijn favoriete films afspelen. Ik verzin verbeelde werelden om in weg te dromen en ik probeer er met kleine mopjes de sfeer in te houden als een andere eenzaam ronddwalende collega toevallig mijn pad kruist. Maar tijdens een toezicht is er eigenlijk niets dat echt helpt om de tijd sneller te laten wegtikken en -ook dat weet ik uit ervaring- wie begint af te tellen, is verloren.

Het zijn eenzame tijden met lange voormiddagen en lege namiddagen. Die moeten weliswaar gevuld worden met verbeterwerk. Proefwerken doorploeteren, lezen, herlezen, interpreteren, inschatten en beoordelen. In een taalvak is een antwoord helaas zelden gewoon goed of fout. De infobundel omtrent de proefwerken waarschuwt ons voor correctievermoeidheid. Ook mijn directie weet immers dat we zware dagen tegemoet gaan. En dat komt niet alleen door het vele verbeterwerk. Je staat ervan versteld hoe vermoeiend dat schuifelen is.

“Het grote voordeel is”, verkondigde een collega onlangs in de leraarskamer, “je werkt wanneer je wil”. Wie eens een avondje ‘doortrekt’, kan zich de volgende dag op een paar vrije uurtjes trakteren. Een hoofdstukje lezen, een aflevering bekijken, een level uitspelen of een verbeterplaylist opstellen voor de volgende dagen. Met een beetje geluk zit er zelfs ergens een snipperdagje verstopt in het drukke rooster, een  dagje waarop je al eens kan proeven van de vakantie. En van die Westvleteren.

Aan alle leerlingen die binnenkort hun proefwerkperiode aanvatten: veel succes! En weet dat het ook voor leerkrachten geen gemakkelijke periode is.

Ik kan geen mossels meer zien

23511177_832264126958202_7721895536493672319_o

Ik ben een mosselkok. Het is nochtans mijn eerste jaar als leerkracht hier op school (los van een interimopdracht zo’n 10 jaar geleden). Groentjes dienen zich normaal op te werken, zich eerst te bewijzen. Aantonen dat ze uit het juiste hout gesneden zijn. Doe eerst maar eens mee met het afwasteam of sta eerst maar eens een paar jaartjes aan de vestiaire. Dan zien we erna nog wel. Aan die klim ben ik dus mooi ontsnapt. Het zal wel te maken hebben met de juiste mensen kennen. Ik wil niet bekend staan als een fils à papa of als een bevoorrechte protégé, maar het bespaart me wel wat uurtjes knoflook schillen of opruimen op zondagavond. Plus. Ik word ook uitgenodigd op de voorproeverij. Alleen. Ik lust geen mosselen.

En plots zit ik naast mijn titularis van toen. In de oude priesterrefter, een salon met houten vloer, gekleurde ramen en alle allures van grandeur. Deze ruimte ademt decorum en traditie. En daar zit ik. Te doen alsof het me smaakt. Voor de mosselkoks is voorproeven een ernstige aangelegenheid. Over een paar dagen krijgen ze immers een kleine 3000 eters over de vloer. De juiste hoeveelheid kruiden en enkel de beste wijn. Dit houdt meer in dan een gevuld potje op een vuurtje zetten en eens schudden! Bernardus culinair is al jaren onlosmakelijk verbonden met onze school en terwijl ik moeizaam een tweede mosseltje wegwerk, besef ik maar al te goed dat de culinaire traditie van Bernardus door dit comité met zorg in stand wordt gehouden. Ik voel me als jonkie een indringer, maar ik kan niet ontkennen dat ik trots ben dat ik hier deel van mag uitmaken.

mosselsEn dan is het tijd voor het echte werk. Drie dagen corvee. Het is te zeggen. Twee voor mij. Als jubilaris word ik op vrijdag immers vrijgesteld van dienst, verwelkomd als eter en in de watten gelegd. Ik heb mijn klasgenootjes opgetrommeld en alsof de tijd sindsdien is blijven stilstaan zitten we na 15 jaar weer bij elkaar. We halen herinneringen op, zien hoe sommige leerkrachten nog steeds dezelfde zijn en overschouwen onze eigen levensloop. Zijn we nu gelukkiger dan toen? Ook de kindjes komen ter sprake, en de meest opvallende veranderingen in onze looks. De één wat dikker, de ander wat kaler (en, toegegeven, den dezen wat grijzer), maar eigenlijk zijn we geen haar veranderd. En toch voelt het een beetje ongemakkelijk om bij elkaar te zitten. Het bevestigt immers het onverbiddelijke verglijden van de tijd. We lezen het op elkaars gezichten: dit is wie we geworden zijn. Geef ons nog eens 15 jaar en we zullen even weinig veranderd zijn.

“Alles open!” Als op een stoomschip schrik ik wakker uit mijn mijmeringen. Er moeten immers potjes gevuld, gekookt en geschud worden. Een kleine 400 stuks per avond! De keuken is geen plaats om te dromen, Delrue! “Of ze uit het juiste hout gesneden zijn”, echoot een stem. Ik kan maar beter flink voortdoen. De hitte en de geur doorstaan en niet panikeren als er nog eens 36 supplementen worden bij gevraagd. De keuken draait op volle toeren en ik ben een radertje in een geoliede machine. We zingen van Jennifer Jennings en de tijd vliegt voorbij.

Met trots mogen we terugblikken. We hebben de voorbije twee weekends als schoolteam meer dan 2800 ouders, leerlingen, oud-leerlingen en sympathisanten culinair laten genieten. Samen was dat goed voor 2250 kg mosselen en 1000 kg frietjes!

Als ik op maandagochtend de deur van de leraarskamer open, waait de collectieve opluchting me tegemoet. “Iedereen is toch blij dat het achter de rug is”, vang ik op. Ik sluit mij erbij aan. Nu wordt het opnieuw relatief rustiger tot de proefwerken er zijn. Dat betekent dat er ook weer wat tijd vrijkomt om vrouw en kind nog eens goed te verwennen. Misschien moet ik vanavond nog eens iets lekkers klaarmaken.

Nu maar hopen dat ze geen zin heeft in mosselen.

Meneer is thuisgebleven

Comedy_and_tragedy_masks_without_background.svg

“Ik zit nooit neer.” Een gemeenschappelijk springuur met een gelijkgestemde collega. Doorgaans hebben we het over optredens of over de betere film. Dit keer gaat het over de job zelf. “Ge moet in beweging blijven. Rondlopen. Actief zijn. Lesgeven is show verkopen.” De bel gaat. We slaan onze koffie achterover. Showtime!

Onderweg naar mijn lokaal kruis ik een leerlinge die me kent van Jeugdtheater Litoziekla -een zootje ongeregeld dat theater en andere onzin maakt- en ik word overvallen door rolverwarring. Moet ik haar groeten als Kawiel? Als meneer Delrue? Of kies ik voor een neutrale groet daar ergens tussenin? Gelukkig gaat het allemaal heel snel en kom ik niet verder dan een flits van oogcontact en een halfslachtig knikje, maar ik word met de neus op de feiten gedrukt: nu ik in Oudenaarde lesgeef, zal ik mijn Jekyll en Hyde met elkaar moeten verzoenen. Het was ooit anders. Tot voor kort had ik een buffer van 50 kilometer tussen Kawiel en meneer Delrue. Nu word ik op straat herkend en aangesproken over de leerstof. Maar als dat de prijs is voor een ochtendwandelingetje van 10 minuten in plaats van een gestrest uurtje in de wagen, dan betaal ik die graag.

Een ander Litoziekla-lid, de enige aan wie ik dit schooljaar lesgeef, deelt een stuk van zijn route naar school met mij. Toen hij me begin september voorbijfietste, groette hij me als meneer. Het moet voor hem ook niet makkelijk zijn. Ik sprak hem er wat later over aan. “Op school blijft het uiteraard meneer, maar daarnaast mag je Kawiel blijven zeggen, hoor.” Enkele dagen later fietste hij me opnieuw voorbij. Dit keer draaide hij zich met een brede glimlach om. “Dag Kawiel!” Zo simpel kan het dus zijn. Meneer Delrue op school, Kawiel daarbuiten.

Al moet ik toegeven dat die twee de laatste jaren wel naar elkaar toegegroeid zijn. De jaren waarin ik om 3u ’s nachts in Gentse kroegen als een bezetene op een drumstel zat te meppen en een paar uur later met een uitgestreken gezicht aan een nietsvermoedende klas vroeg om hun schoolagenda te nemen, liggen achter mij en die duivelse drummer heeft enigszins moeten wijken voor de brave burgerlijke vader. Anderzijds slaag ik erin steeds meer Kawiel toe te laten in meneer Delrue en heb ik gemerkt dat lesgeven ook best rock-‘n-roll kan zijn. De wereld is een schouwtoneel. Elk heeft zijn rol. Mijn collega heeft gelijk. Lesgeven is inderdaad show verkopen.

Ik zag zopas de première van het nieuwe stuk van Litoziekla. Het bevestigde wat ik eerder schreef: Tilozeiklu is inderdaad een zootje ongeregeld. Het deed me denken aan een gesprek met mijn titularis 15 jaar geleden. Wij speelden toen een versie van Titus Andronicus, Shakespeares meest bloederige toneelstuk. De schoolresultaten van alle betrokkenen zakten in de weken voor de première zienderogen weg. Toewijding aan de kunst, noemden wij dat. Ik herinner me nog goed hoe we foeterden en monkelden over leerkrachten die geen begrip voor ons hadden en die niet bereid waren om ons uitstel te verlenen.

En nu ben ik zelf zo’n onverbiddelijke leerkracht geworden. Zij het nog steeds één met een hart voor theater en rock-‘n-roll. Maar het blijft verwarrend. “Dag meneer”, hoorde ik in de foyer net na de première. “Wat hadden we afgesproken? Hier is het Kawiel.” Maar voor ik naar huis vertrek, hoor ik mezelf zeggen: “En succes voor maandag.” Dan hebben ze proefwerk schrijfvaardigheid. Tja. The show must go on.